Recensie in de Poëziekrant nr. 4, 2009
door Remco Ekkers

‘De wiebelige tinteling...’

Een bescheiden gedicht, maar effectief. Het begint bij de eerste strofe: drie regels; een worm, een vogel. Weinig woorden, maar ze laten de lezer even kijken en denken.

Een aardworm
onder het gewicht
van winterkoning.

De herhaling van de w geeft de lichtheid van het geheel toch de vereiste zwaarte. Het ontbreken van het lidwoord voor de kleine vogel (hier niet ‘winterkoninkje’) versterkt dit. Het is een wreed beeld: de kleine vogel, staand op de worm, hakkend in zijn vlees. De dichteres vereenzelvigt zich met de worm.

Ik voel de ruk
de scherpe snavelbeet
die in de grond
tot mootjes hakt.

Hier symboliseren de klanken de pijn van de worm. Daarna richt de aandacht zich op de vogel, die buiten zinnen raakt, staat te dansen op de prooi en een hoog scherp geluid laat horen. Uiteindelijk bedaart de opwinding ‘totdat / er niets meer over is / dan beroering / van aarde, klevend // aan mijn wang.’
De dichteres is wel heel dichtbij gekomen.

In de bundel staan meer gedichten waarin de solidariteit ver wordt doorgevoerd. De titel doet denken aan die van Jan Eijkelbooms Wat blijft komt nooit terug en aan Koplands Een lege plek om te blijven, maar er zijn meer resonanties van een dergelijke uitspraak in de jaren tachtig van de vorige eeuw, de tijd waarin de dichteres kennismaakte met de poëzie, mogen we aannemen. Haar gedichten sluiten aan bij die periode. Verwacht dus geen experimenten, niet de toon van Bruinja of Nasr of Tjitske Jansen.

Zo is er een gedicht waarin het kind zich verstopt onder het kelderluik en een ondergrondse wereld ontmoet. (…)
Het meisje is een Tomboy: ze klimt in bomen, rent hard en wint van een vriendje. Als ze valt, wil ze niet bloeden en ze wil niet huilen. Dat bloed wijst vooruit naar de tijd dat het niet meer te ontkennen valt dat ze een meisje is. Ze zegt het treffend: ‘ik word steeds erger vrouw / de man in mij vloekt weg / ik zie mijn borsten groeien / in een aarzelend besef’. Welnu, die borsten kunnen nog plat gedrukt worden door doeken, maar ‘alles wordt zo onbekend raakt me / om het lijf / en uit mij vloeit het eerste bloed // ik weet niet hoe ik klimmen moet / als ze anders naar me kijken // de wiebelige tinteling...’ Dat andere kijken van de jongens, dat is niet tegen te houden en het gevoel dat dat bij jou oproept.

Later, sadder and wiser, streelt een man ‘de jaarringen’ op haar handen: ‘later // beloofden we met jonge woorden / niet wat we nu weten’. Ze wil ‘onkwetsbaar zijn met doorns / op mijn huid / maar raakbaar heb ik me voor je uitgekleed’. Het is de gang der dingen, maar verwoord door iemand die met zorg haar gevoelens beschouwt, raakt het. ‘Ik wil je, wil je me nog / ook als ik prik / en dat alleen mijn mond je wonden / stelpen kan – zo bloedend zacht / wil ik door je heen bestaan.’